De selfiecamera van je telefoon is de slechtste camera die je bezit. Kleiner, minder lichtsterk, minder scherp. De achtercamera is twee tot vier keer beter. Het enige probleem: je ziet niet wat je fotografeert. Vier manieren om dat op te lossen.
1. Een spiegeltje naast de lens
Een rond spiegeltje van drie centimeter, geplakt naast de achtercamera, laat je in een oogopslag zien of iedereen erop staat. Het is licht bol, dus je ziet meer dan je zou denken. Ik heb er een op mijn eigen telefoon zitten en gebruik hem vaker voor groepsfoto’s tijdens workshops dan voor selfies. Bekijk de selfie-spiegel.
2. Afdrukken zonder je arm te strekken
Met een Bluetooth-knop in je hand druk je af terwijl je telefoon ergens staat of terwijl iemand anders hem vasthoudt. Geen gestrekte arm meer in beeld, geen wiebel door het indrukken van de knop op het scherm. Hij werkt met iPhone en Android en de knop koppelt in een keer.

3. Zet de telefoon ergens neer
Een muurtje, een tafel, een fietszadel. Of een klein statief met buigbare poten dat je om een paal of tak wikkelt. Zet de zelfontspanner op tien seconden, of gebruik de Bluetooth-knop, en loop in beeld. Groepsfoto’s waarop de fotograaf ook staat: dat maakt het verschil tussen een foto van de groep en een foto van het uitje.

4. Licht van voren, niet van boven
Ga met je gezicht naar het licht staan, niet eronder. Middaglicht van boven geeft donkere ogen; licht van opzij of van voren, uit een raam of van een lage zon, geeft een gezicht vorm. Dat geldt voor elke portretfoto, ook zonder spiegeltje.
Alle drie de hulpmiddelen passen samen in een opbergdoosje van 7,5 centimeter. En het Ulanzi MT-11 statief is het exemplaar dat ik zelf in mijn jaszak heb.
